Search Dutch - German words with verb
1.
verbaal
2.
verbaasd
3.
verbaliseren
4.
verband
5.
verbanddoos
6.
verbandgaas
9.
verbannen
10.
verbanning
11.
verbasterd
12.
verbasteren
13.
verbazen
14.
verbazend
15.
verbazing
16.
verbazingwekkend
17.
verbeelden
18.
verbeelding
20.
verbeiden
21.
verbergen
22.
verbeten
23.
verbeteren
24.
verbetering
27.
verbeuren
28.
verbeuzelen
29.
verbieden
30.
verbijsteren
31.
verbijstering
32.
verbijten
33.
verbinden
34.
verbinding
35.
verbindingsweg
36.
verbintenis
37.
verbitterd
38.
verbitteren
39.
verbleken
40.
verblijden
41.
verblijf
42.
verblijfplaats
43.
verblijfsrecht
45.
verblijven
46.
verblinden
47.
verbloemen
48.
verbluffen
49.
verbluft
50.
verbod
51.
verbodsbord
52.
verbolgen
53.
verbolgenheid
54.
verbond
55.
verbonden
56.
verbondenheid
57.
verborgen
58.
verbouwen
59.
verbouwereerd
60.
verbouwing
61.
verbranden
62.
verbranding
65.
verbrassen
66.
verbreden
67.
verbreiding
68.
verbreken
69.
verbrijzelen
70.
verbroedering
71.
verbrokkelen
72.
verbruik
73.
verbruiken
74.
verbruiker
78.
verbruikster
79.
verbuigen
80.
verbuiging
81.
verbum